Blog is verhuisd

Posted: januari 19, 2013 in Zomaar

Klik hier om naar de nieuwe blog te gaan.

 

Veldrijder Tom Meeusen mocht vandaag niet starten in de wereldbekerveldrit in Rome. Conform het antidopingbeleid moest de Belgische Wielrijdersbond  Meeusen een startverbod opleggen, omdat hij wordt genoemd in een dopingonderzoek naar de Rotselaarse huisarts Chris Mertens.

Wonderdokter

Meeusen blijkt niet de enige te zijn die wordt genoemd in het onderzoek. Ook de hink-stap-springster Svetlana Bolshakova komt bij Mertens over de vloer. Bolshakova kwam aanvankelijk bij Mertens terecht voor de behandeling van ijzertekort. Ze ontkent dopinggebruik en beoordeelt Mertens als ‘een correcte arts’. Volgens insiders zoals Fidea-manager Hans Van Kasteren behandelt de ‘wonderdokter’ nog bekende topsporters, waaronder ook enkele voetballers.

Chris, Ferdinand en Jules Pikuur

Chris Mertens staat in de traditie van zijn vader, Jules Mertens, ook een arts. Wijlen Jules Mertens, in het wielermilieu bekend als Jules Pikuur, was een pionier op het gebied van biopunctuur en ozontherapie. Ozonbehandeling bestaat uit het aftappen van bloed, dit bloed verrijken met ozon (hoogwaardige zuurstof) en het verrijkte bloed vervolgens terug inspuiten bij de atleet. Ook Chris Mertens gebruikt deze behandelmethode, maar beweert niks met doping te maken te hebben. De grens tussen bloeddoping en intraveneuze ozontherapie is echter moeilijk te trekken. Zowel biopunctuur als ozontherapie zijn overigens verwant aan neuraaltherapie. Boegbeeld van de neuraaltherapie in België is gepensioneerd huisarts Ferdinand Mertens uit Rotselaar.

Middelberg wonderland

Rotselaar is niet alleen vanwege de familie Mertens bekend bij topatleten. In de periode dat Chris Mertens vader, Jules Pikuur, het kruim van de Belgische wielrenners behandelde, klopten sommigen bij het oprijden van de Rotselaarse Middelberg (waar huisarts Mertens is gevestigd) al wel eens aan bij het kuuroord Sol et Vita. Daar produceerde de Lanaakse priester Paul Bouts tot laat in de jaren ’90 allerlei wondermiddeltjes, voornamelijk op basis van koninginnebrij. Zelfs de grote Eddy Merckx vond in de jaren ’70 de weg naar de ijzerrijke Middelberg en kon voor zijn buitengewone prestaties rekenen op de hulp van de professor met de craniometer.

Volgens resultaten van een door groen besteld onderzoek uitgevoerd in 12 kleuterklassen[1] zou plastic speelgoed een verhoogd gehalte aan hormoonverstorende stoffen of endocriene disrup­tors in de lucht veroorzaken. Het gaat om stoffen die op lange termijn een verhoogd risico op kanker met zich zouden kunnen meebrengen. Groen wil meer sensibilisering rond hormoonverstorende stoffen en wil dit onderwerp op de politieke agenda van de Vlaamse regering. In plastic speelgoed zijn echter die stoffen waarvan is aangetoond dat ze schadelijk zijn, of waarvan een vermoeden van schadelijkheid bestaat, al sinds 2005 volgens een  Europese richtlijn verboden in kinderspeelgoed. Groen haalt hiermee een reeds bestaande discussie naar voor, gestoffeerd met een bescheiden onderzoekje van de VUB.

Onheilspellend

Het nieuws overspoelde zowat alle media en wie momenteel op Google ‘plastic speelgoed’ ingeeft, krijgt maar liefst een volledige pagina zoekresultaten die vrijwel allemaal hetzelfde zeggen: ‘Plastic speelgoed zorgt voor giftige stoffen in kleuterklas’. Het oorspronke­lijke persbericht is na te lezen op de website van Groen.[2] Er is dus door ‘een bescheiden onder­zoek’, zoals professor Baeyens van de VUB het noemt, vastgesteld dat er hormoonverstorende stoffen in de klassen aanwezig zijn. Of dit effectief iets te maken heeft met het al dan niet aanwezig zijn van plastic speelgoed komen we niet te weten. Wel vertelt Hermes Sanctorum, voor Groen zetelend in het parlement, dat net gereinigde klassen minder hormoonverstoorders bevatten dan andere klassen en dat aankoop van houten speelgoed in plaats van plastic het aantal hormoonverstorende stoffen vermindert. Ook goed stofzuigen helpt.

Sanctorums stelling valt vanwege de algemeenheid ervan moeilijk tegen te spreken. Uiteraard dat hoe minder plastic speelgoed er wordt aangekocht, hoe minder milieubelastende productie dat tot gevolg heeft. Alleen al daaruit volgt een afname van chemische, al dan niet toxische stoffen. Maar minder plastic aankopen en daardoor het productieproces afremmen, is nog iets anders dan het ge­bruik van plastic en een verhoogde aanwezigheid van hormoonverstoorders in de kleuterklas koppelen aan kanker, astma en suikerziekte. Sanctorum bedient zich van ‘de wet van de kleine getallen’ of overhaaste generalisatie: hij doet een algemene uitspraak op basis van te weinig gegevens. Hormoonverstoorders komen bovendien niet alleen in synthetische of chemische vorm voor, maar ook in natuurlijke vorm.  We vinden ze in allerlei vormen om ons heen. Daarover is Sanctorum opmerkelijk zwijgzaam.

Een meer genuanceerd verhaal

Ui t wetenschappelijke literatuur blijkt bijvoorbeeld dat rond de effecten van hormoonversto­rende stoffen heel veel controverse is. Onderzoek wijst uit dat er niet alleen synthetische, maar ook natuurlijke polygebromeerde difenylethers (PDBE’s) bestaan[3] – naast de ftalaten de andere groep van hormoonverstoorders die de onderzoekers van de VUB hebben geviseerd. We vinden PBDE’s, vooral bekend als vlamvertragers, niet alleen in huishoudelijke producten zoals textiel en meubels, maar ook in bouwmaterialen. En zelfs in walvisvet. Ftalaten vinden we terug in vloerbedekkingen, slangen, kabels, verven, vernissen. Ook worden ze gebruikt als additieven in sommige geneesmiddelen en zijn ze alomtegenwoordig in het milieu. De grootste blootstelling gebeurt via voeding. De aanwe­zigheid van concentraties ftalaten in bloed en urine heeft overigens niet noodzakelijk een ne­gatieve invloed op de gezondheid. Het is dan ook niet verwonderlijk dat men ze terugvindt in geneesmiddelen en zelfs bloedzakjes.[4] In 2005 heeft de Europese Raad het gebruik van bepaalde chemicaliën, waaronder ftalaten, die verdacht worden schadelijk te zijn voor de ontwikkeling van kinderen verboden in kinderspeel­goed. Een maatregel die het jaar daarvoor was goedgekeurd en waarvoor de EU-commissie zelfs applaus kreeg van milieugroeperingen zoals Greenpeace.[5] Groen haalt een oude koe uit de sloot. Er is vanuit de overheden reglementering rond en controle op kinderspeelgoed en ook de academische wereld houdt de vinger aan de pols.

Publiciteit

Het onderzoek zelf of referentiegegevens zijn via het partijsecretariaat van Groen niet be­schikbaar en ook professor Baeyens van de VUB, die het onderzoek heeft geleid, kon weinig over het onderzoek vertellen. ‘Het onderzoek is eigendom van Groen en contractueel kan ik niet meer vertellen dan wat al in de media is verschenen’, aldus Baeyens. Ook gegevens over de scholen zijn niet beschikbaar. ‘Om de privacy te respecteren’, beweren de onderzoekers. Toch wordt in de media een steinerschool als het goede voorbeeld naar voor geschoven. Over de betrokken­heid van de steinerscholen bij het onderzoek is Baeyens echter formeel: ‘Die hebben er niets mee te maken. Dat is de media. Die zijn gaan filmen in een steinerschool.’ Hoewel ze er volgens de professor niks mee te maken hebben, blijkt uit correspondentie rond de studie dat parlementslid Sanctorum zowel Lieve Vansintjan en Hans Annoot, twee woordvoerders van de Federatie van Steinerscholen, heeft betrokken.  Dat en­kele naaste familieleden van Vansintjan mandaten bekleden bij Groen Vlaams Brabant, werk­zaam zijn binnen de steinerschoolbeweging en dan in de media net de school wordt opgevoerd waar de familie Vansintjan kind aan huis is, is wel een heel merkwaardige speling van het lot.

Opmerkelijk is dat de onderzoekers niets in vaktijdschriften hebben gepubliceerd en ze dit ook nog niet dadelijk van plan zijn. Bij wetenschappelijk onderzoek is het gangbaar dat on­derzoekers regelmatig de vorderingen van hun onderzoek publiceren, zodat collega’s kunnen meekijken en -denken, het zogenaamde peerreview of collegiale toetsing. ‘De auteurs zijn druk bezig zijn met het schrijven van een artikel volgens wetenschappelijke standaard’, aldus Remi Verbeeck, parlementair medewerker van Hermes Sanctorum. Dat zegt ook professor Baeyens, al voegt die eraan toe dat het artikel nog een hele tijd op zich zal laten wachten.

Bij nazicht van de studie,[6] bekomen via bemiddeling van de persverantwoordelijken van Groen, blijkt waarom publicatie op zich laat wachten. Zelfs een niet wetenschappelijk onder­legd lezer kan de lapsussen in de studie in een oogwenk ontwaren. Op de eerste pagina van de studie kunnen we lezen dat ‘stofstalen uit kleuterklassen onderling worden vergeleken, waar­bij men de hormoonverstorende activiteit probeert te koppelen aan het interieur van de klas’. Met het proberen aan te tonen dat er een verband zou zijn tussen het interieur en de aanwezig­heid van toxisch stof in kleuterklassen is op zich niks mis. Bij de methode om deze koppeling aan te tonen kunnen wel kanttekeningen worden geplaatst.

Wetenschappelijke standaard

De onderzoekers hebben bijvoorbeeld het interieur van de kleuterklassen op een heel eigenaardige manier gemeten. Factoren die gemeten werden, waren: de vloer (linoleum [!] of tegels); meubilair (plastic of hout); veel of weinig speelgoed in kunststof; aanwezigheid van een com­puter of niet; plastic speelmat of niet; pas gekuist of niet. Een hoge interieurscore zou volgens het onderzoek ‘wijzen op een grotere algemene aanwezigheid van uit kunststof vervaardigd materiaal’. Wanneer we echter de methode van de onderzoekers volgen, zouden twee identiek hetzelfde ingerichte klassen verschillend scoren als de ene klas pas zou gepoetst zijn en de andere niet. Het meewegen van de factor ‘pas gekuist’ geeft ook een vertekend beeld van de re­sultaten, doordat met het poetsen een hoeveelheid binnenhuisstof – waarin zich hormoonverstoorders bevinden – vooraf is verwijderd. Er worden dan vanzelfsprekend lagere waarden gemeten, terwijl ook nog eens de interieurscore naar beneden wordt gehaald.

Nog sterker is dat de onderzoekers voor een van de klassen een uitzondering maken op de regels die ze hebben opgesteld om de klassen te scoren. Ze hebben die klas – los van hun eigen normering – volledig willekeurig twee extra punten toegekend (omdat er een glijbaan en meerdere plastic wagentjes aanwezig waren!). Waarom de onderzoekers dit niet volgens hun eigen normering scoren als ‘heel veel plastic speelgoed’ is een raadsel. Volgens Sanctorum is het ‘niet abnormaal dat bij wetenschappelijk onderzoek kwalitatief wordt gemeten’. Maar toch. Wanneer deze klas correct gescoord zou zijn geweest, zou blijken dat de resultaten van de metingen in deze klas niet corresponderen met het verband tussen veel kunststof in de klas en verhoogde aanwezigheid van hormoonverstoorders dat de onderzoekers willen aantonen.

En dan is er nog de vloer. Ook die werd in rekening genomen, omdat volgens de onderzoekers ‘uit de linoleumvloer kleine deeltjes PVC zouden kunnen vrijkomen’. Hermes Sanctorum liet weten dat dit een onnauwkeurigheid is en dat het linoleum/vinyl moet zijn. Nu is het verschil tussen linoleum, een natuurlijk product dat geen PVC bevat, en vinyl, een synthetisch product dat wel PVC bevat, van die aard dat ze in een onderzoek als dit eigenlijk niet onder een noe­mer kunnen worden geplaatst en het belangrijk is om die twee te onderscheiden. Zeker als het gaat over het vrijkomen van PVC. ‘Het is moeilijk om het verschil te zien’, aldus Sanctorum. Misschien is dat zo, maar in het kader van ‘alles voor de wetenschap’ is een deskundige vra­gen geen overbodige luxe. In ieder geval: de klassen zonder tegelvloer werden sowieso ge­scoord alsof ze synthetische vloerbedekking (vinyl) hadden. Mag van wetenschappelijk onderzoek niet worden verwacht dat iets pas wordt benoemd wanneer men precies weet wat het is?

De meter slaat door

Niemand wil dat zijn kinderen worden blootgesteld aan schadelijke stoffen. Wanneer er een vermoeden is dat dit wel zou zijn, is het van het allergrootste belang dat iets wordt onderno­men. We kunnen op dat vlak niet voorzichtig genoeg zijn. Dat Groen het onderwerp ‘hor­moonverstorende stoffen’ op de politieke agenda wil zetten, is dan ook niet onbegrijpelijk.  Het is een milieuzaak en dat is hun terrein. Dat groene politici daarvoor  in de media zaken die bij het publiek gevoelig liggen – zoals onderwijs, kinderen, milieuverontrei­niging en kanker – in een adem noemen, is een ander issue. Als vertegenwoordigers van het volk kunnen politici niet zomaar vrijblijvend naar de bevolking toe de alarmerende boodschap verspreiden dat er een verband is tussen kanker en stof in kleuterklassen waarin zich veel plastic speelgoed bevindt. Men zou zich daar rekenschap van moeten geven. Liefst niet met een arbitraire studie van een schamele eenentwintig bladzijden die in geen enkel wetenschappelijk (of ander) tijdschrift is gepubliceerd. En gezien de methodologie en het ontbreken van de noodzakelijke nuance in de studie zal dat waarschijnlijk ook niet gebeuren.

Voetnoten

[3] Emma L. Teuten, Li Xu, Christopher M. Reddy (2005): “Two Abundant Bioaccumulated Halogenated Compounds Are Natural Products“. Science, 307, 5711: 917–920

[5] EU ministers agree to ban chemicals in toys, 27/10/2004 http://www.euractiv.com/health/eu-ministers-agree-ban-chemicals-news-212475

[6] M.Sc. Tara Vandermarken en Dr. Sandra De Galan, Hormoonversterkende activiteit van binnenhuisstof in kleuterscholen, Onderzoek uitgevoerd door de dienst Analytische en milieuchemie (ANCH) op de Vrije Universiteit Brussel in opdracht van Groen

In Rotselaar bevindt zich het Ontmoetingscentrum Eenheid, onderdeel van de internationale religieuze beweging Focolare. Door de nogal kille bejegening toen ik voor het eerst het centrum bezocht om informatie in te winnen over hun organisatie en de NV Sol et Vita, besluit ik om er opnieuw op bezoek te gaan. Aan het onthaal proberen de Nederlandse Anne en haar collega zo goed mogelijk mijn nieuwsgierigheid te bevredigen.

Erfenis

Focolare Rotselaar heeft het domein waarop zich haar centrum bevindt in erfpacht van de NV Sol e t Vita, het terug-naar-de-natuur-project van wijlen pastoor Paul Bouts.  ’Professor Bouts’, zoals de dames van het onthaal hem noemen, zou met de focolarini een overeenkomst zijn aangegaan, omdat hij ervanuit ging dat zij zijn project zouden voortzetten. Zolang de voormalige naaste medewerkster en vertrouwelinge van Paul Bouts in leven is, komt het 10 ha grote domein nog niet in handen van Focolare. Hoe dat precies geregeld is, weet geen van beide dames. Maar dat de bejaarde dame hoofdaandeelhouder is van Sol et Vita  en de touwtjes stevig in handen heeft, weten ze maar al te goed. Focolare Rotselaar zit wel al als aandeelhouder mee in de aandeelhoudersvergaderingen van Sol et Vita.

Alles nieuw

De dag dat Bouts voormalige vertrouwelinge het tijdelijke voor het eeuwige verruilt, zou een deel van het domein beschikbaar kunnen komen voor  verdere bebouwing. Dan krijgen meer ‘focolarini’, zoals de leden van de in Italië ontstane geloofsgemeenschap zich noemen,  de mogelijkheid om in hun ‘Nieuwe Stad’, Mariapolis Vita,  te komen wonen. Spil van Mariapolis Vita Rotselaar is Ontmoetingscentrum Eenheid, in 2005 geopend in aanwezigheid van kardinaal Danneels en koningin Fabiola. Momenteel wonen er al tientallen focolarini in de omgeving. Ook heeft zich een Focolare bedrijvencentrum in Rotselaar gevestigd. Focolare streeft naar eigen zeggen in veel wat ze doet naar vernieuwing. Niet alleen een nieuw economisch systeem waaraan ondertussen wereldwijd een 700-tal bedrijven meewerken, de 33 Nieuwe Steden of Mariapolissen, maar ook Nieuwe Families. En niet te vergeten: een politieke beweging. Hoewel die niet nieuw zou zijn.

Politieke Beweging voor de Eenheid

Een nieuwe politieke partij noemen de focolarini hun in 1996 opgerichte politieke beweging niet. Ze hebben het liever over ‘politici van verschillende, soms tegengestelde meningen die zich samen inzetten voor de bescherming en de bevordering van de essentiële waarden van de maatschappij’. Voor politici die zich binnen partijgrenzen beknot voelen, kan dit aanlokkelijk klinken.  In ieder geval proberen de focolarini het contact tussen hun gemeenschap en de plaatselijke bevolking zo goed mogelijk te onderhouden.

Zo zou er volgens de focalarini een zeer goede verstandhouding zijn tussen het gemeentebestuur van Rotselaar en de Focolarebeweging, wat al stof deed opwaaien tijdens gemeenteraden. Volgens Vlaams Belang promootte burgemeester Claes het gebruik van het Focolare Ontmoetingscentrum Eenheid en organiseerde de Gemeentelijke Raad voor Ontwikkelingssamenwerking (GROS)  activiteiten in wat het Vlaams Belang ‘de sektezaal’ noemt.

Doel: ziel

Focolare is wereldwijd een snel groeiende beweging. Die groei heeft ze onder andere te danken aan de steun vanuit het Vaticaan. Nu de laatste jaren – vooral vanwege naar buiten gekomen misstanden binnen de Kerk – almaar meer mensen het geloof in een geïnstitutionaliseerde kerk verliezen, kunnen de ontmoetingsplaatsen of Nieuwe Steden van de Focolarebeweging misschien de ontstane leemte vullen. Op die manier kan de Kerk dan de verloren gegane of afvallige  zieltjes recupereren.

In Rotselaar zal men echter pas meer zieltjes kunnen huisvesten wanneer op de Middelberg het domein van wijlen Paul Bouts kan worden verkaveld. Bij de gratie Gods, maar niet bij leven en welzijn van Bouts vertrouwelinge.

Bijlage: video-interview met een focolarini

De gepensioneerde antroposofische leraar Pieter HA Witvliet geeft in een blogbericht toe dat hij een van degenen is die achter het pseudoniem ‘Joost Alfrik’ van de lasterblog Steinerscholen.com gefocust zit.

Een vreemd koppel

Screenshot website Antrovista, grootste antroposofische webportaal van Nederland

Screenshot website Antrovista, grootste antroposofische webportaal van Nederland

Het gebeurt geregeld dat vanuit de antroposofische beweging met modder naar critici wordt gegooid, maar Witvliet vond dat blijkbaar niet voldoende. In 2011 begon hij samen met zijn echtgenote, Catherine Witvliet-De Mooij, op de weblog Steinerscholen.com te reageren onder de naam ‘Joost Alfrik’.  Kort daarop startte Witvliet een weblog om mij in diskrediet te brengen. Niet lang daarna volgde een tweede blog en dook team Witvliet onder de naam ‘Joost Alfrik’ op bij zowat alle sociale media waaraan ik geregeld deelneem: LinkedIn, Kloptdatwel?, Antroposofie en het kind, Floris Schreve’s blog, Ruhrbarone, …

Reaguren

‘Joost Alfriks’ bezoeken waren steeds van korte duur. ‘Alfrik’ werd voortdurend geband en door deelnemers aan discussies ervaren als een irritante stalker.  Ook op eigen terrein, de antroposofische media, werd de reaguurder Alfrik gemodereerd en zelfs de Stichting Rudolf Steinerpedagogie nam bij monde van Kitty Steinbuch afstand van uitspraken van team Witvliet. ‘Niet reageren is het beste om kwaadsprekers in de lucht te laten lopen’, aldus de stichting. Dat de stichting zich, net zoals Hans Passenier, directeur begeleidingsdienst van de Vereniging van vrijescholen, blijkbaar distantieert van Pieter Witvliet  en zijn echtgenote is opmerkelijk. De Witvliets zijn geen onbelangrijke spelers binnen de steinerschoolbeweging.

Kleine en grote leugens

Pieter Witvliet is, samen met onder andere professor Fred Goffree van het Freudenthal Institute, mede-auteur van een bekend rekenwerkboek voor de praktijk in de steinerschool en werkte enkele jaren in de steinerschool van Den Haag, om vervolgens binnen de steinerbeweging verscheidene andere taken op zich te nemen. Zo gaf Witvliet naar eigen zeggen zijn kennis door aan honderden antroposofische leraren, was hij 10 jaar schooldirecteur en bluste hij als invalleerkracht tal van brandjes in noodlijdende scholen. Dat daarvoor af en toe – volgens Witvliet ook met behulp van een onderwijsinspecteur - de overheid voor de gek moest gehouden worden,  was geen probleem. Het doel heiligt de middelen?  Het andere deel van team Witvliet, Catherine, geniet binnen de beweging enige bekendheid als euritmiedocente/deskundige . Ze zetelde bijvoorbeeld in 2008 voor de accreditatie van de opleiding bachelor Docent Dans/Muziek van Hogeschool Helicon in een panel van deskundigen van het Netherlands Quality Agency en geeft les in het door incidenten geplaagde Novalis College in Eindhoven (1,2,3,4,5).

Zelfgemaakte waarheden

Dat team Witvliet spitsvondig is om de waarheid geweld aan te doen, blijkt uit een discussie uit 2010 op Steinerscholen.com. Een moeder stelde Pieter Witvliet een vraag over rekenonderwijs, waarop deze prompt antwoordde: ‘Als ik nog actief werkzaam zou zijn, zou ik je zeker vertellen hoe een en ander op onze vrijeschool zou toegaan. Ik ben echter 7 jaar geleden met pensioen gegaan en kan dus niet meer uit de actuele situatie verhalen’. Witvliet doet uitschijnen dat hij al lang uit circulatie is. De waarheid is dat hij het jaar daarvoor (2009) nog actief was in de Vrije School Tiliander.

SKEPP tijdschrift Wonder en is gheen wonder, 12de jg, 2012/3

Een Gentse steinerschool haalde deze zomer de kranten.[1] Een vervangleerkracht had er tijdens een lerarenvergadering een ‘kindbespreking’ bijgewoond. Die had zo’n diepe indruk op hem nagelaten dat hij een melding deed bij de Onderwijsinspectie. Tijdens de kindbespreking was een meisje uit het vierde middelbaar voor een twintigtal leraren en de schoolarts moeten verschijnen. Ze kreeg niet alleen indringende vragen over haar privéleven, maar werd ook op haar uiterlijk beoordeeld: ze moest daarvoor bijvoorbeeld de oren tonen. Nadat ze de lerarenkamer had verlaten, vroeg de schoolarts aan iedereen om haar uiterlijk te beschrijven: symmetrie van benen en gezicht, mond, vorm van oren en gezicht, vorm van de wenkbrauwen. Het doet denken aan de frenologie, een verlaten ‘wetenschap’ die uit de vorm van de schedel geestelijke en karaktereigenschappen meende te kunnen afleiden. Het oor diende daarbij als ijkpunt. De frenologie was een direct uitvloeisel van de fysionomie, het aan gelaats- en lichaamskenmerken aflezen van de persoonlijkheid. De pedagogisch gevolmachtigde van de Gentse steinerschool bevestigde met zijn uitspraken in de media (‘De vlezigheid van het oor biedt een beeld van hoe gezond iemand is’), dat deze pseudowetenschap daadwerkelijk om de hoek komt kij­ken.

Het is problematisch  wanneer onderwijsinstellingen zich voor hun werking baseren op onvruchtbaar gebleken theorieën die dankzij voortschrijdend inzicht al lang zijn verworpen. De steinerschool is zo’n instelling. read more


[1] T. Ysebaert, Laat je oren eens zien, De Standaard 04/07/2012.

Uit de oude doos: interview met kunstschilder Maggy Vught

Stel je even voor: acrylaatverf, zijdepapier, rijstkorrels, een blad vol Chinese tekens, kiezelsteentjes, een halve meter jute, … Dit alles samengebracht op een vrij groot schilderdoek, zodat als eindresultaat een kunstwerk ontstaat dat niet alleen uniek is, maar ook nog sterk tot de verbeelding spreekt. Voeg hier dan uiteindelijk nog een geometrische vorm die uit het abstracte tevoorschijn lijkt te komen aan toe, en je hebt je zojuist een voorstelling gemaakt van wat je het handelsmerk van Maggy Vught mag noemen: intuïtief abstracte kunst. Maggy is sinds een jaar (terug) beroepskunstenares, houdt regelmatig tentoonstellingen en deelt haar ervaringen als experimenteel kunstenares door het geven van cursussen schilderen. Bovendien is ze gepassioneerd bezig met de spirituele dimensie van het leven, wat zich duidelijk laat zien in haar werken, die ze het liefst van al experimenteel abstract noemt. Omdat ondergetekenden nu niet bepaald met het penseel in de hand zijn geboren en dus niet goed wisten wat intuïtief abstracte of experimentele kunst zoal inhoudt, besloten we om de uit Leuven afkomstige kunstenares op te zoeken in haar atelier in het Vlaams-Brabantse Herent.

Maggy, hoe lang ben je eigenlijk al bezig met kunst, met schilderen en waar heb je je opleiding gehad?

Officieel schilder ik al 36 jaar, maar ik was als kind al voortdurend bezig met tekenen en schilderde veel met plakkaatverf. Echte schilderlessen of kunstacademie heb ik niet gevolgd, maar ik heb wel – in 1969 – een jaar publiciteitstekenen gevolgd. Tegenwoordig noemt men dat grafische vormgeving: het ontwerpen van logo’s en affiches en dergelijke. Nu doet men dat met de computer, maar toen was dat nog handwerk. Ik kreeg dat jaar les van vrij bekende figuren, waaronder Jan Cobart, Julien Bael en nog enkele, waarvan de namen me nu niet te binnen schieten. Op zich was die opleiding een leuke ervaring, maar ik ben er niet in verder gegaan. Ik zag het niet zitten om als publiciteitstekenaar door het leven te moeten gaan.

Heb je op dat moment – toen je met je opleiding was gestopt – besloten om te gaan schilderen?

Ja, ik ben beginnen schilderen door een toeval – als je in toeval gelooft, wat ik niet doe. Op een regenachtige zondag verveelde ik me zo erg dat ik in het schilderatelier van mijn vader – die een laatimpressionistisch schilder was – een leeg doek nam en begon te schilderen. Ik maakte een door het kubisme geïnspireerd werk, dat in minder dan een week tijd werd verkocht aan een binnenhuisarchitect. Dat gaf me natuurlijk een geweldig gevoel en ik ben blijven schilderen.

Schilderde je in die periode al intuïtief, vanuit je gevoel? Of is dat pas later gekomen?

Ik nam gewoon een leeg doek en begon te schilderen. Wat ik ging schilderen, wist ik niet. Ik koos eerst kleuren, omdat ik altijd heel gevoelig voor kleuren ben geweest. Alhoewel ik het wel mooi kan vinden, zal ik zelf nooit een monochroom maken.(nvdr.mono=enkel/chroma=kleur) Voor mij zijn de kleuren te belangrijk. Mijn eerste werk was een zicht van daken, kubistisch. Mijn tweede werk een trieste vrouw in spiralen, met heel veel rood. De cirkels kwamen toen al in mijn werken voor, zij het meer onbewust.

Het feit dat er interesse voor je werk was, werkte waarschijnlijk inspirerend?

Ja, natuurlijk En ik had het voordeel dat mijn vader ook kunstschilder was en tentoonstellingen hield. Af en toe kon ik samen met hem tentoonstellen. De eerste tentoonstelling die ik hield was in de Leuvense Faculty Club in 1971. Ik schilderde toen 2 jaar.

Zijn er bepaalde schilders of kunstenaars die een voorbeeld voor je zijn geweest?

Ja, de impressionisten Turner en Monet. Ik ben niet veel naar tentoonstellingen geweest. Daar ben ik te individualistisch voor, wat meteen verklaart waarom ik autodidact ben. Toch ben ik een keer naar Parijs geweest om er de werken van Monet te gaan bewonderen. Ik weet nog dat ik voor de ‘Kathedralen’ stond. Als je vlakbij die kunstwerken staat, zie je enkel een chaos van stippen en vlekken. Neem je afstand, dan zie je de Notre Dame kathedraal. Daar heb ik geweend. Zo geweend dat de mensen me bekeken alsof ik gek was geworden. En dan Turner. Voor zijn tijd. Het licht dat in zijn werk zit. Tegelijk wazig en helder, vol gevoel. Prachtig.

Monet en Turner waren abstracte kunstenaars, net zoals jij. Wat versta jij onder abstract? Misschien een moeilijke vraag?

Een zeer moeilijke vraag, want als je ze beantwoordt, ben je figuratief bezig. Wel kan ik zeggen dat de stap naar abstract schilderen in de geest zit. Als je als schilder een zeker abstract denken aankan, kan je ook wel abstract schilderen. Gemakkelijk is het niet. Voor ik de overstap naar abstract maakte, had ik al jaren figuratief geschilderd. Het is vooral een vorm van evenwicht vinden.

Nog een moeilijke vraag: Heb je een idee vanwaar het komt, dat abstracte?

Ik zou het niet weten. Ik begin te schilderen en het komt er gewoon uit.

Dan zijn we dicht aanbeland bij intuïtief schilderen. Intuïtie, je hoort er steeds meer en meer over. Wat betekent het voor jou?

Voor mij betekent het dat ik zelf niet weet wat ik ga maken. Mensen vragen me soms: ‘Maar wat ga je nu toch maken?’ Zelf ben ik niet bang van een wit doek. Ik begin gewoon linksboven om rechtsonder te eindigen – bijwijze van spreken. Als het doek dan vol is, ga ik een paar passen achteruit en wordt op die manier met mijn creatie geconfronteerd. Een dag later, als het doek droog is, werk ik verder. Dit proces herhaalt zich verscheidene dagen, totdat het werk af is. Zo heb ik een
werk gemaakt met een Merkaba (nvdr.geometrische figuur/ ons lichtvoertuig) in. Ik zag die Merkaba pas toen het werk af was (zie ook schilderij bovenaan dit artikel). Dan heb ik er bewust nog een lijntje in getrokken, omdat ik wist dat een Merkaba in het midden zo’n lijntje heeft.

Bedoel je dat je begint met schilderen zonder het uiteindelijke eindresultaat voor ogen te hebben?

Ik heb niet echt een einddoel als ik begin. Maar als ik een opdracht heb, weet ik wel voor ik begin dat het iets rond het gevraagde thema wordt. Hoe het eruit gaat zien, is ook voor mij een verrassing. En dan kan ik heel gelukkig zijn met zo’n thema, zonder te weten wat ik ervan ga maken. En dan zijn er natuurlijk werken die snel klaar zijn en andere die heel veel tijd in beslag nemen. Sommige werken zijn inderdaad vrij vlug klaar en andere niet.

Vrij vlug, spreken we dan over één dag?

Neen, dat kan niet. In de eerste plaats moeten de droogtijden tussen de verschillende lagen gerespecteerd worden. Ten tweede, ook het gebruik van verschillende technieken maakt dat je tussen twee verschillende technieken – meestal, niet altijd – genoeg tijd moet laten. Daarom werk ik aan meerdere doeken tegelijk, zodat ik niet uren moet zitten wachten om verder te kunnen werken. Met 4 of 5 verschillende werken bezig zijn, is voor mij echt geen enkel probleem. Wat wel
kan gebeuren, is dat ik gewoon niet aan schilderen toekom, dat het niet lukt. Alles valt dan stil. Alles is weg. Tegen dat de inspiratie terugkomt, zijn er dan soms weken voorbijgegaan.

Liggen je schilderscursussen dan ook stil?

Neen, les geven kan ik altijd, want ik heb mijn technieken onder de knie. De leerlingen helpen afwerken is geen enkel probleem. Ik kan altijd terugvallen op 35 jaar ervaring. Dat neemt men je niet af. Maar het is niet hetzelfde als creëren.

Kan je je cursisten leren intuïtief te schilderen of is het meer een begeleiden om ze te leren hun intuïtie te gebruiken?

Ik noem het eigenlijk liever experimenteel schilderen, want intuïtief schilderen is enorm moeilijk en het iemand aanleren gaat gewoonweg niet. Wat ik doe, is de cursisten de technieken die ik beheers, aanreiken en daar gaan ze dan mee experimenteren. Door te experimenteren werken ze intuïtief, want wat ze maken is abstract. Het moeilijke is de
leerlingen bij te brengen hun hoofd niet te gebruiken als ze aan het schilderen zijn. Meestal gaan ze onmiddellijk hun hoofd gebruiken. Na verloop van tijd betert dat wel. In het begin willen ze een vlinder of een bloem schilderen en dan is zo’n cursist gelukkig dat hij dat kan…maar dat is de bedoeling helemaal niet! Dan moeten we die gewoonte eruit krijgen.

De cursisten die beginnen, zijn dat mensen die de basistechnieken schilderen al beheersen?

Neen, liefst niet, want dan moet ik die er eerst uitspoelen.

Had jij voor je experimenteel begon te schilderen de voornaamste basistechnieken?

Ik had vooral een goede basis kleurenleer in de academie geleerd. Ook heb ik honderden poëzie-albums geschilderd. Dat was vroeger een modeverschijnsel. Er werd gevochten om een poëzie aan mij te kunnen meegeven en ik nam er 2 per week; eentje de woensdag en eentje de zaterdag. Ik maakte er echt werk van. Waar het op neer komt, is dat je veel oefent, het veel doet. Een opleiding heb je niet echt nodig. En ik leer nog iedere dag bij.

Pure passie, dus. Toch ben je een tijdje gestopt met schilderen.

Ja, ik heb een stop gekend. Toen ik in 1969 begon, heb ik een hele periode met olie op doek gewerkt. Een beetje impressionistisch- figuratief dus. Later ben ik aquarellen gaan schilderen, het meer vloeiende, waterachtige. Nog later ben ik door het lezen van een rubriek in het tijdschrift Knack, overgegaan op schilderen op zijde. Ik herinner me nog goed dat ik naar Brussel reed om alles te gaan kopen om op zijde te kunnen schilderen. Ik kwam toen thuis met een rol zijde en ander materiaal. Het eerste dat ik schilderde: 2 suitekleden. Die waren goed gelukt, tot ik ze in water legde om de overtollige kleur te verwijderen. Die kleuren liepen allemaal dooreen. Dus moest ik de techniek van het fixeren maar gaan leren en dat lukte me – op mijn eentje. Op dat moment ben ik even gestopt met schilderen en ben kleding beginnen ontwerpen, die ik in mijn eigen winkel verkocht. En dat ging vrij goed, want na verloop van tijd kwamen er bestellingen binnen van andere winkels. Het nadeel was dat ik onder geweldige druk moest werken. Ik kon niet zomaar zeggen dat de klant volgende week nog maar eens moest terugkomen. Neen, het moest de afgesproken dag ook af zijn, hé.

Wel, op een dag kwam er een Amerikaanse vrouw de winkel binnen en die vroeg me of ik ter gelegenheid van een tentoonstelling die in het Planetarium in Brussel liep, sjaals zou kunnen beschilderen met de kosmos als thema. Ik heb 10 sjaals beschilderd en er 6 verkocht. Nu was die vrouw iemand die kunstenaars hielp om naambekendheid te verwerven. Ik heb wel eerst twee jaar moeten werken om een techniek te vinden die nog niet gekend was. Dat werd dan uiteindelijk
mijn techniek: zijde op doek. En ik was gelanceerd en ik exposeerde in drie galerijen.  Tot ik in Thailand de schok van mijn leven kreeg. Ik zag er hoe zijde verwerkt werd. Het was gruwelijk. Ik wilde onmiddellijk stoppen met op zijde te schilderen, maar ik kon gewoonweg niet. Ik had twee jaar aan de techniek gewerkt en het was bovendien mijn broodwinning.

Maar uiteindelijk ben je dan tóch gestopt, deze keer voor een langere periode?

Ik heb toen om een teken gevraagd en er één gekregen. Eén galerij ging failliet, de eigenares van een andere galerij stierf en een derde galerij is ervandoor gegaan met 10 van mijn beste werken. Ik heb ze nooit meer teruggezien. Dit gebeurde allemaal in een tijdspanne van amper 6 maanden. Toen besefte ik hoe laat het was en ben gestopt met schilderen. Ik kon trouwens niet meer en zat echt diep in de put. Ik ben dan mijn man 12 jaar gevolgd in de zakenwereld. En ik kan je verzekeren, dat was niet helemaal in orde.

Een meer aardse of materiële weg kan soms toch veel bijbrengen, of niet?

Misschien, maar ik werd verscheurd. Ik ben altijd spiritueel geweest. Als kind al zag ik bepaalde dingen die voor de meeste mensen niet zo evident zijn. Maar in die periode dat ik met mijn man werkte, zat ik aan de ene kant in de zakenwereld en de andere kant in de spirituele wereld – die ik absoluut niet meer wilde lossen.

Hebben die jaren in de zakenwereld er dan niet voor gezorgd dat je nu beter bent in management?

Ja, ik kan mijn mannetje staan. Ik weet dat ik contracten moet hebben, ik ga zelf rondbellen en werken verkopen. Veel kunstenaars houden zich daar niet zelf mee bezig.

Je bent sinds een jaar terug begonnen met schilderen. Heb je het gevoel dat je werken helemaal anders zijn dan vroeger?

Ja, zeker! Er zit nu veel meer licht in. Vroeger gebruikte ik geen wit. Mijn wit was toen geel. Nu gebruik ik heel veel wit.

Heb je er eerst over nagedacht ‘hoe’ je terug zou beginnen?

Helemaal niet! Ik ben gewoon terug begonnen. Er waren wel heel veel mensen die me hebben aangemoedigd. Nu, zo gemakkelijk was het niet. Ik had al wel een atelier en materialen, maar geen werk, geen opdracht. En in een moment van verdriet heb ik een heel chaotisch werk gemaakt. Het vreemde was dat ik triest was, maar het werk niet. Dan heb ik 2 weken niets meer gedaan, om vervolgens een drieluik te maken. En toen was de bal aan het rollen.

Doe jij bepaalde rituelen voor je begint te schilderen? Mediteren of iets dergelijks?

Neen, ik heb altijd gedacht dat ik niet kon mediteren, maar waarschijnlijk mediteer ik onbewust terwijl ik schilder. Als ik schilder, heb ik echt geen enkel benul van tijd. Ik heb wel ooit in een droom – als je het zo mag noemen – mijn eigen tentoonstelling gezien. Het was prachtig! Echt prachtig! Alleen, ik werd wakker en ik had die kleuren niet. Dat was geweldig frustrerend. Die kleuren die ik in mijn droom gezien had, bestonden in deze dimensie niet.

Meestal zet je bij je werken een woord. Komt dat tijdens het werken?

Neen, helemaal op het einde. Dan kijk ik naar het werk en vraag me af: wat zie ik erin of welke boodschap spreekt eruit.

We zien in je werken soms Merkaba’s, Levensbloemen en geometrische figuren verschijnen. Zaken die we in het Mysterieblad regelmatig onder de aandacht brengen, net zoals het jaartal 2012. Hoe zie jij de toekomst m.b.t. dat jaartal?

Ik heb daar veel over gelezen, nagedacht en veel lezingen bijgewoond en in het begin boezemde het thema me angst in. Eerlijk gezegd, er gebeurt heel wat, hé. Het klimaat is niet meer stabiel. Wetenschappers beweren dat de ijskappen smelten. Dat zijn geen grapjes meer.  Maar ik denk wel dat het gemakkelijker kan gaan dan hoe het vroeger werd voorgesteld. Als we het met zijn allen licht gaan maken, hoger gaan trillen, dan gaan we anders denken én scheppen. We scheppen dan een andere toekomst. 2012 komt sowieso, maar hoe het gaat zijn…daar kunnen wij iets aan doen.

Een soort ompoling van het bewustzijn?

Ja, eenmaal dat is gebeurd, verandert alles. Ik droom er bijvoorbeeld van om geen geld meer nodig te hebben, zodat als ik zou schilderen me geen zorgen hoef te maken over kostprijs van materialen en dergelijke. Mijn werken zou men dan vanzelfsprekend mogen hangen waar men dat graag wil.

Eén van je werken sierde trouwens de cover van het vorige Mysterieblad. Kan je kort iets zeggen over dat werk en wat het voor jou betekent?

Je ziet de Tibetaanse bergen en een zon, vijf vlekken en het pentagram of de verwezenlijkte mens. De tekens die je ziet noem ik glyfen, engelentaal. Het werk gaat over 2012, daarom noemt het ‘The Future’. Voor mij symboliseert het de hoop.

Klinkt hier iets zoals een boodschap?

Ja, ik breng zeker een boodschap. Twee mensen die channelden hebben me gezegd dat ik ooit een taal zou schilderen. Een engelentaal volgens de ene, een taal die het trillingsgetal van de mensen zou verhogen, zei de andere. Dat vond ik een geweldig mooi compliment. En dan denk ik: oké, schilderen maar!

Zo eenvoudig is het voor Maggy uiteindelijk: ‘oké, schilderen maar’. En wij – die in haar atelier mochten rondlopen om haar werken te besnuffelen – kunnen dat alleen maar beamen. We bedanken Maggy voor de tijd die ze wilde vrijmaken en wensen haar nog een leven vol kleuren, zodat zij het palet kan zijn waarop alles wordt gemengd.

Interview door Ramon DJV/Jan L/Cilia M, Mysterieblad 2.2, 2005

Meer info over Maggy Vught en haar werken: klik hier.